| rdfs:comment
| - 1. Op de weg naar school, Daar stond een hoerekot. ‘k Kost er niet voorbij, Of mijne lul die draaide zot, ‘k Zou zo gere eens poepen, Maar ‘k heb geen poen, Wat moet ik doen, Wat moet ik doen? [Sie heisst Lili Marleen.] (bis) 2. Achter ’t grote venster, Zat een dikke hoer, Met haar benen open, Haar tetten op de vloer. ‘k Ging met heur naar boven, En sloot de deur, Ik vloog op heur En schoot er deur. [Sie heisst Lili Marleen.] (bis)
|
| abstract
| - 1. Op de weg naar school, Daar stond een hoerekot. ‘k Kost er niet voorbij, Of mijne lul die draaide zot, ‘k Zou zo gere eens poepen, Maar ‘k heb geen poen, Wat moet ik doen, Wat moet ik doen? [Sie heisst Lili Marleen.] (bis) 2. Achter ’t grote venster, Zat een dikke hoer, Met haar benen open, Haar tetten op de vloer. ‘k Ging met heur naar boven, En sloot de deur, Ik vloog op heur En schoot er deur. [Sie heisst Lili Marleen.] (bis) 3. Op het grote bed, Daar lagen wij met twee, Ze pakte mij bij mijn kloten, Amaai, wat deed dat zeer. Ik sprong uit bed, En kleedde me aan, Ik had gedaan, En kost nu gaan. [Sie heisst Lili Marleen.] (bis) 4. Als ik weer naar huis ging, Langs de grote baan, Zag ik daar een meiske, In hare blote staan. Zij vroeg aan mij: "Wilde gij ne keer?", Maar ik kost niet meer, Van veurige keer. [Sie heisst Lili Marleen.] (bis)
|