De zalige Odo (Orléans 1050 - Anchin, 19 juni 1113) ging door als een der meest geleerde Lotharinger van de 11e eeuw. In 1087 werd hij op uitnodiging van de kanunniken van Doornik leraar in die stad, won zich zeer snel een reputatie en klom uiteindelijk op tot hoofd van de Doornikse kathedraalschool. In 1090 werd hij monnik bij de benedictijnen en stichtte de Sint-Martinusabdij van Doornik, waarvan hij ook abt werd. Veel van Odo's werken zijn verloren gegaan. De bewaard gebleven geschriften zijn uitgegeven in de Patrologia Latina. Zijn feestdag valt op 19 juni.
De zalige Odo (Orléans 1050 - Anchin, 19 juni 1113) ging door als een der meest geleerde Lotharinger van de 11e eeuw. In 1087 werd hij op uitnodiging van de kanunniken van Doornik leraar in die stad, won zich zeer snel een reputatie en klom uiteindelijk op tot hoofd van de Doornikse kathedraalschool. In 1090 werd hij monnik bij de benedictijnen en stichtte de Sint-Martinusabdij van Doornik, waarvan hij ook abt werd. In 1105 koos men hem tot bisschop van Kamerijk en werd hij gewijd tijdens een synode te Reims. Door zijn weigering om de investituur te ontvangen uit handen van keizer Hendrik IV, die op dat moment immers wedijverde tegen de paus aangaande het recht om bisschoppen te benoemen, kon Odo zijn ambt een tijdlang niet opnemen. Het was uiteindelijk Hendriks zoon Hendrik V die Odo in 1106 als bisschop aanvaarde. Dit stemde Odo nochtans niet gunstiger ten aanzien van de Duitse keizer. Toen hij het waagde de lekeninvestituur te bekritiseren, verbande Hendrik V hem in 1110 als monnik naar de abdij van Anchin, met als argument dat de bisschop nooit werkelijk zijn staf en ring uit handen van de keizer had ontvangen en dus niet officieel was benoemd. Veel van Odo's werken zijn verloren gegaan. De bewaard gebleven geschriften zijn uitgegeven in de Patrologia Latina. Zijn feestdag valt op 19 juni.